Toen ik er zeker van was dat iedereen sliep, begon ik aan de belegering van Zwitserland.
Ik startte voorzichtig, met ringetje gevormd door duim en wijsvinger. Maar hoe ik ook sjorde en trok, en van ringetje overging op vuist, en welke van mijn meest geliefde beelden ik ook projecteerde op het plafond van de blokhut, Zwitserland capituleerde pas toen ik, voor het eerst, een beeld fantaseerde. Een beeld waarbij Z. en ik, tegenover elkaar gezeten in een lege trein, voortraasden door een troosteloos landschap, rood als aardewerk. Z. trok zijn shirt uit, dook op me af, duwde me achterover op de groene simili-leren bank en liet mij drinken van zijn mond.
En Zwitserland viel.'
Geen opmerkingen:
Een reactie posten